Reflectie in Blauw POLITIEWERK BLIJFT MENSENWERK
VERHALEN
SOMS IS HET LEVEN ZO ONEERLIJK Tijdens onze lunch werden we geroepen door de meldkamer. Ik had net mijn eerste hap in mijn broodje gezet en mijn collega wilde net zijn lepel in zijn heerlijke, gevulde, kom groentesoep zetten. Het gebeurd wel vaker dat je net zit te eten en dat je van het eten wordt weggehaald. Soms moet je je eten twee keer opwarmen, smaakt niet altijd lekker meer, maar dit terzijde. Soms verdwijnt je eten in de vuilnisbak, omdat je niet meer aan eten toekomt. De melding was een reanimatie in een van de wijken waar ik werkte. Het was niet mijn eerste reanimatie en ik weet nu dat het ook niet mijn laatste zou zijn. Ik was samen met een collega in opleiding. Een jonge collega. Een collega die dit nog nooit had meegemaakt, dus ik wilde hem hierin goed begeleiden. Op weg naar de melding toe namen we nog even de procedure door. Hoe het reanimeren ook alweer in zijn werk ging. Meestal reed in de stad, waar ik werkte, direct een ambulance en de brandweer mee op dit soort meldingen. Ook gaat voor dit soort meldingen vaak de traumahelikopter (tweety) vliegen. De leden van de traumahelikopter hebben medisch gezien iets meer mogelijkheden dan het personeel van de ambulance. Toen wij ter plaatse kwamen zagen we dat de brandweer en de ambulance al ter plaatse waren. Er werd gevraagd of een van ons naar boven kon komen in verband met de situatie in de woning. Het bleek nogal hectisch te zijn in de woning. We kregen ook de melding dat de traumahelikopter een plek aan het zoeken was voor de landing. Het is gebruikelijk dat wij het medisch personeel gingen ophalen bij de landingsplek van de traumahelikopter. Ik moest een beslissing maken. Ik naar boven of mijn collega. Hij kende de procedure bij de helikopter niet, dus ik moest hem naar boven sturen. Ik deed het met tegenzin. Ik wist niet wat hij daar zou aantreffen. Gelukkig landde de helikopter niet heel ver weg. Ik heb snel het personeel van de traumahelikopter opgepikt en ben heel snel teruggereden naar de woning waar de reanimatie plaatsvond. Samen met het personeel van de traumaheli spoedde ik me naar de woning. Bij het binnenkomen in de woning probeer je je altijd even te oriënteren. Wat is waar en wie bevindt zich in welke kamer. Nou, geloof me! Er was alleen maar paniek in de woning! Dit gingen we niet met zijn tweeën redden. Ik vroeg aan de meldkamer of ze een auto extra konden sturen. Het antwoord van de meldkamer was kort: “Beste collega! U moet dit alleen doen.” Ik kon maar één ding denken en dat was heel kort “K..” Ik zal even proberen te omschrijven wat ik in de woning aantrof. In de woning was het personeel van de ambulance bezig met het reanimeren van een jong meisje. Ze was een jaar of veertien. Daar omheen zaten familieleden. Die waren alleen maar aan het gillen, schreeuwen en huilen. Anderen zaten weer verstomd te kijken hoe het ambulancepersoneel bezig was. In de gang waren nog meer familieleden aan het schreeuwen en aan het gillen. Een van de familieleden stond een deur in tweeën te schoppen van pure emotie. Er zijn maar weinige keren geweest dat ik dat tijdens een reanimatie heb gezien. Ook voor een oudgediende als ik was dit indrukwekkend. Ik probeerde orde scheppen in deze gigantische wanorde. Ook moest ik de jonge collega goed instrueren in wat hij moest doen. Als eerste hebben wij de familieleden uit de woonkamer gehaald, zodat het personeel van de ambulance en de traumahelikopter hun werk konden doen. Het is niet makkelijk om familieleden weg te halen bij hun geliefde. Wij hebben de familieleden naar de gang gebracht. In de gang was het nog één grote chaos. Schreeuwende en huilende familieleden. Nogmaals vroeg ik aan de meldkamer of ik een stel extra handen kon krijgen om ons te assisteren en weer was het antwoordt: “collega ik heb echt niets extra’s voor je.” Ik vroeg ook nog even bij de wachtcommandant van mijn eigen district of hij iemand had die mij kon assisteren, maar ook zijn antwoord was dat hij niets voor mij had. En dan, voel je je toch even heel alleen. Ik ging samen met de collega aan het werk in de woning. Op een gegeven moment liep ik een kamertje binnen. In dat kamertje stond een bed. En ik zag dat er op het bed een gestalte zat. Misschien ken je het wel. Er zijn van die meisjes die een levensgrote pop hebben om mee te spelen. Zoiets zag ik op het bed zitten. De gestalte die ik zag was kaal. Ik kwam dichterbij en zag dat de gestalte zich begon te bewegen. Ik zag nu pas dat er een kind op het bed zat. Het was een jongetje. Ik zag dat hij tranen in zijn ogen had. Hij zat te huilen op het bed. Ik ben even bij hem gaan zitten. Heel even maar, want ik moest verder. In de gang zag een ik vrouw lopen en ik riep haar. Ik vroeg haar of iemand zich over het jongetje kon ontfermen. Ik hoorde dat de vrouw tegen mij zei: “Ach, meneer hij heeft terminaal kanker. Hij merkt het toch niet meer. Laat hem maar zitten!” Ik was geschokt en met stomheid geslagen. Maar ook boos en misschien ook wel verdrietig. Ik ben heel even naar buiten gelopen en heb op het balkon even heel diep adem staan halen. Gewoon even stil in een klein hoekje. Ik denk dat ik er maar een paar seconden heb gestaan. Ik voelde op een gegeven moment een hand op mijn schouder en ik hoorde de stem van een van de jongens van de ambulance. Ik hoorde dat hij tegen mij zei: “Kom. Ik weet het! Ik heb je nodig.” Ik nam nog twee teugen zuurstof en liep weer mee naar binnen. Ik kwam de woonkamer binnen en zag dat iedereen nog volop bezig was met het meisje. Het zag er niet goed uit! Er werd gevraagd of ik de ambulance klaar wilde zetten, want er moest onmiddellijk worden gereden als het meisje in de ambulance lag. Samen met mijn jongere collega heb ik de ambulance klaar gezet. Ook om de jongere collega even wat lucht te geven. Op het moment dat wij buiten bezig waren, bij de ambulance, kwamen er twee collega’s op de motor aanrijden. Zij waren zelf gekomen, omdat ze aan mijn stem hoorden dat ik hulp nodig had. Ik was blij toen ik ze zag. Het gaf ons iets rust. Het meisje werd overgebracht naar het ziekenhuis. Waar ze korte tijd later overleed. Ze was veel te jong. Tot op de dag van vandaag staat het kleine jongetje op mijn netvlies gebrand. Het kleine mannetje op het bed met een traan op zijn wang. Korte tijd later overleed ook het jongetje aan de gevolgen van zijn ziekte. Soms is het leven erg oneerlijk. Ik heb achteraf de vraag gesteld waarom bepaalde collega’s niet konden komen helpen. Weet je waarom niet?! Omdat ze van hun chef de wijk niet uit mochten!! Ik ben de twee collega’s die het wel hebben gedaan tot op de dag van vandaag dankbaar. Dankbaar voor hun steun en hun lef. Ik ben trots op de jonge collega die naast me heeft gestaan en die zich voor de eerste keer bij zo´n reanimatie zo super zijn best heeft gedaan. Ik ben ook trots op de mannen en vrouwen van de ambulance en de traumahelikopter, die samen met ons, zich soms door moeilijke dingen heen moeten slaan. Ik ben na mijn dienst naar een stille plek gereden en heb heel hard staan schelden van woede en daarna heb ik staan huilen. Staan huilen om de dingen die ik had gezien.