Reflectie in Blauw POLITIEWERK BLIJFT MENSENWERK
VERHALEN
HET MEISJE EN DE VRACHTAUTO Het was een wat grijze ochtend. Een beetje mistig en het was koud. Iedereen was onderweg naar het werk of naar school. Zoals op elke doordeweekse dag waren er veel scholieren onderweg, die zich een weg probeerden te banen tussen het verkeer door. Vaak net iets te laat van huis gegaan en ze proberen dan wat tijd in te halen door nog net even voor een auto langs te fietsen. Samen met een collega surveilleerden we in het dorp waar ik toen werkte. We hadden ochtenddienst en die diensten waren over het algemeen niet zo spectaculair, behalve dat je heel goed moest uitkijken voor de scholieren. Op een gegeven moment werden wij geroepen door de meldkamer. Of we wilden gaan naar een van de dijken binnen ons gebied. Daar was een aanrijding gebeurd met een vrachtwagen. Nu was dit niet zo veel bijzonders, want dat gebeurde wel vaker. Smalle dijkjes en veel verkeer. Iedereen probeerde daar zijn plekje te veroveren en nog net even iets eerder te zijn dan een ander. En soms was dat een vrachtwagen. Het gebeurde ook regelmatig dat een vrachtwagen net een geparkeerde auto schampte. Ach, op naar de dijk. We reden al slingerend over de dijk. Op de dijk was het opvallend rustig. Tenminste uit de tegenovergestelde richting kwamen opvallend weinig auto’s. Waarom?? Het waarom daar kwamen we snel achter. In een van de bochten stond een vrachtwagen midden op de weg. En niemand kon er meer langs. Al snel bleek dat het niet ging om een aanrijding tussen een vrachtwagen en een andere personenauto. Bij deze aanrijding was een fietser betrokken. Of liever gezegd een fietsertje. Een scholier onderweg van huis naar school. De scholier was om een geparkeerde auto gereden en was daarbij geraakt door de vrachtwagen. De scholier bleek een meisje te zijn. Het meisje was ten val gekomen en onder een van de wielen van de vrachtwagen terecht gekomen. Het meisje lag op de straat naast een van de wielen van de vrachtwagen. Ze was nog wel bij kennis, maar het ging niet echt geweldig met haar. Ik ben naast het meisje gaan zitten. Met mijn rug tegen de band van de vrachtwagen, gewoon als steun voor het meisje en wachtend op de ambulance. Wachten en er zijn, want wat kun je anders doen! Ik weet nog goed dat het hoofd van het meisje op een gegeven moment mijn kant uit draaide en dat ze door de pijn heen vroeg: “Meneer ik ga toch niet dood.” En daarbij zag ik een dikke traan over de wang van het meisje naar beneden lopen. Ik weet nog dat ik tegen haar heb gezegd: “Nee, hoor! Alles komt goed! Alles komt goed!” En zachtjes gaf ik haar een aai over haar hoofd. Die woorden en die blik zal ik nooit meer vergeten. Het personeel van de ambulance kwam ter plaatse en stabiliseerde het meisje. Ik verleende nog wat hand- en spandiensten bij het ambulancepersoneel. Uiteindelijk werd het meisje in de ambulance geplaatst en werd ze vervoerd naar een ziekenhuis in de omgeving. Bij het vertrek naar het ziekenhuis zag het er nog steeds niet goed voor haar uit. De collega’s in het naburige dorp hadden, voor ons, de ouders van het meisje gewaarschuwd en de ouders naar het ziekenhuis gebracht. Door ons werden alle zaken ter plaatse afgehandeld. Zo ook het verhoor van de vrachtwagenchauffeur. Hij verklaarde dat hij het meisje niet had gezien. En dat zou heel goed kunnen. Het meisje is later die dag aan haar verwondingen overleden. Veel te jong. Soms denk ik wel eens terug aan dit incident en vraag me af of ik meer had kunnen doen? Of ik iets anders had kunnen en moeten zeggen? En weet je… Ik denk dat het goed was zo.