Reflectie in Blauw POLITIEWERK BLIJFT MENSENWERK
VERHALEN
JUNKS, HOEREN EN ZWERVERS Iedereen kent ze wel. Meestal vanuit de grote stad. Veel mensen vinden ze eng of vreemd. Ze stinken en volgens onze gewoonten doen ze raar. De junks, de hoeren of de zwervers. Soms zijn ze het allemaal tegelijk. In mijn werk als politieman heb ik veel met ze te maken gehad. In de stad waar ik werkte gaven ze veel overlast in de wijken en zeker in de hoogtijdagen van de drugsoverlast moest er soms hard worden opgetreden tegen die overlast. Het gebruiken van verdovende middelen in de portieken of gewoon op de schoolpleinen dat was natuurlijk niet echt de bedoeling. Het slapen in je kelder of het urineren op de trap naar je bovenwoning evenmin. Geen dingen om vrolijk van te worden, zeker niet als buurtbewoner. Ik heb ze ook van een andere kant leren kennen. Het zal je misschien verbazen, maar junks, hoeren en verslaafden hebben ook een andere kant. Ze hebben ook een menselijke kant. Ook al laten ze die vaak niet zien. Vaak zijn ze te veel bezig met het overleven op straat. En de straat waar zij moeten overleven is vaak hard en meedogenloos. Het is een leven dat velen van ons niet kennen. Gelukkig maar! Ik denk dat het ook leefomstandigheden zijn waarbij maar weinigen van ons het hoofd boven water zouden kunnen houden. Soms denk ik weleens: “Zij zijn veel sterker dan dat wij zijn.” Vele van de junks, hoeren en zwervers kom je jaren achtereen tegen op straat en op één of andere manier bouw je met die mensen een band op. Het zullen nooit mijn persoonlijke vrienden, maar toch…. Jaren achter elkaar kom je ze bijna dagelijks tegen. Door weer en wind. Ik kan zeggen dat ik voor junks, hoeren en zwervers in mijn werk niet altijd de makkelijkste ben geweest. En dat wisten zij ook, maar toch konden we vaak samen door een deur. Ik was duidelijk, maar ik had wel respect voor ze. Het waren mensen. Deed je iets verkeerds dan kreeg je een bekeuring of moest je mee naar het bureau, maar ik stond ook open voor zomaar gewoon een praatje. Ik wist van heel veel hoeren en junks wat hun achtergrond was en waar ze vandaan kwamen. Soms zaten we gewoon even op een bankje op straat en spraken we met elkaar. Of soms even snel vanuit de politiebus vragen hoe het gaat. Ik merkte dat ze me soms hele persoonlijke dingen vertelden. Over hoe het vroeger thuis was bij hun ouders en waarom ze op straat terecht waren gekomen. Als je die verhalen hoort krijg je soms kippenvel. Soms kom je ze tegen in de stad, slenterend zonder doel of slapend in de kou op een bankje in het park. Ik kwam ze ook vaak tegen als ik met de metro op weg naar huis was en zeker als het buiten koud was, zochten ze een warme plek in een van de wagons. Vaak werden ze dan door andere reizigers aangekeken en niemand ging in de buurt zitten. Want, ja…. Ze zijn eng en vies. Als ze me herkenden werd ik vaak begroet met de woorden: “Goedenavond beambte.” En soms kwam dan de vraag: “Gaat u werken of gaat u naar huis.” En als ik het antwoord gaf: “Ik ga naar huis.” Was meestal het antwoord: “Fijn! Wel thuis.” En vaak verscheen er dan een grote grijns op het gezicht. Ik stapte uit en meestal zwaaiden we dan nog even naar elkaar. Ik dacht heel vaak bij mijzelf: “En welke ongein gaan jij nu weer uitvreten?.” Als ze in de nacht weer eens op een warm plekje zaten en ik was aan het werk liet ik ze soms zitten. Ze mochten natuurlijk geen overlast geven. Samen met een collega reden we wel eens langs de plekken waar junks, hoeren en zwervers zaten en als we een boterham of iets anders over hadden gaven we dat weg. Gewoon, omdat zij ook mensen zijn. Een van de mooiste complimenten heb ik ooit gekregen van een hoertje. Ik zocht haar op in een van de cellen van het cellencomplex, nadat ze weer eens iets had uitgevreten. Nadat ik haar voor de zoveelste keer had verteld dat ze haar belofte had gebroken om nooit meer binnen het bureau te komen, ging ik een bak koffie voor haar halen. Een bak koffie met vier zakjes suiker en drie zakjes melk. Op het moment dat ik terugkwam bij haar cel zei ze tegen mij: “Jij bent eigenlijk mijn engelbewaarder.” Ik keek haar vragend aan en vroeg: “Hoezo?” Ze antwoordde: “Als ik iets verkeerds doe krijg ik verschrikkelijk op mijn kop. Maar je bent er ook gewoon voor een praatje en je vraagt altijd hoe het gaat.” Ik heb dit compliment altijd diep in mijn hart bewaard, want een mooier compliment kun je niet krijgen. Soms vraag ik me nog weleens af hoe het verder met haar is gegaan? Ach, dat zal ik wel nooit meer te weten komen. Inmiddels ben ik al een paar jaar weg uit de grote stad, maar ik kom er nog wel. Gewoon om te winkelen of om de stad te bekijken en even op een terrasje te zitten. Het blijft toch een beetje mijn stad. En als ik dan door de stad loop kom ik heel soms nog een hoertje, junk of zwerver tegen en soms groeten wij elkaar, omdat we elkaar kennen van vroeger. En heel af en toe wordt ik nog wel eens aangesproken door een junk. En hoor dan hoor ik achter me: “He, beambte! Hoe is het?” Soms maak ik even een praatje en geef hem of haar een hand en ga weer verder. Het is heel grappig, zulke tegenpolen en dan toch zo’n contact. Goh, we zijn net mensen! Ik als politieman en zij als junk, hoer of zwerver!