Reflectie in Blauw POLITIEWERK BLIJFT MENSENWERK
VERHALEN
DE BRIGADIER EN ZIJN KRANTJE Tijdens mijn opleiding liep ik stage bij de politie Utrecht en wel aan bureau Tolsteeg. Een bureau aan de rand van de binnenstad. Heerlijk oud en binnen kon een olifant nog geen schade aanrichten. Ouderwets en erg degelijk. Tegenwoordig is het geen politiebureau meer, maar een film- en cultuurhuis. In die tijd ging je een jaar naar de politieschool, daarna liep je 5 maanden stage in de praktijk en ging je weer terug naar school om je opleiding af te ronden. In de stage werd je meegenomen in alle vormen van het politievak en zo leerde je langzaam alle facetten van het werk kennen. Zo ook op een mooie ochtend in het eerste gedeelte van mijn stage. Ik werd ingedeeld om dienst te doen bij de balie. Het ging er daarbij om dat ik mensen te woord stond en eventueel een aangifte kon opnemen. Ergens achter een bureau zat de wachtcommandant, een brigadier en oudere politieman met ervaring. Hij deed zijn werkzaamheden en dronk rustig een kop koffie. Op een gegeven moment zwaaide de houten voordeur van het bureau open en er kwam een keurige man binnen wandelen. Zijn haar zat een beetje in de war. Met grote passen liep hij naar de balie, stopte en legde zijn handen erop. Ik vroeg wat ik voor hem kon betekenen. In mijn ooghoeken zag ik dat de wachtcommandant zijn krantje opensloeg en er achter verdween. Ik hoorde de man zeggen: „Nou….. er is iets heel ergs gebeurd.” Ik keek de man verbaasd aan en vroeg hem: „Oh, kunt u mij ook vertellen wat?” De wachtcommandant liet even de hoek van zijn krant zakken om er vervolgens weer achter weg te duiken. De man zette een ernstig gezicht op en begon te vertellen. Hij had ruzie gekregen met een vriend en dat was nogal uit de hand gelopen. Ik zocht naar mijn pen en boekje, zodat ik het een en ander kon noteren. Op de een of andere manier bleef de brigadier achter zijn krantje bijzonder rustig. Behalve het ritselen van zijn krant, het omslaan van een pagina en het nemen van slok van zijn koffie bleef het heel stil. De man vertelde dat hij zo boos was geworden dat hij een hamer had gepakt en zijn vriend daarmee had geslagen. Ik bleef driftig met de man meeschrijven, want ik wilde alles in mijn proces-verbaal van bevindingen wel goed vermelden. De man bleef vertellen. Ik keek weer opzij naar de brigadier. Hij liet even zijn krantje zakken en haalde zijn schouders op. Hij klapte de hoek van zijn krant weer omhoog en ik dacht dat ik hem hoorde grinniken. Ik keek de man bij de balie weer aan, want hij was nog steeds aan het vertellen. Hij had zijn vriend met een hamer op het hoofd geslagen. In mijn hoofd was ik bezig om alle puzzelstukjes te verzamelen. Wat moet ik doen als ik straks naar die woning moet? Wat tref ik aan? Hoe ga ik zaken oppakken? Dit zou mijn echte eerste moordzaak kunnen zijn…..! Ik zag op een gegeven moment dat de wachtcommandant zijn kop koffie neerzette en zijn krantje dichtvouwde. Met een brede glimlach steunde hij met beide handen op zijn bureau en stond langzaam op. Hij keek de man bij de balie aan en ik hoorde hem zeggen: Oke…. zo is het wel weer even genoeg!” „ Ga lekker naar huis en drink een kop koffie.” Waarop ik de man hoorde zeggen: "Ohhh… oh jaaa! Ga ik doen. Jullie ook een kop koffie?” De man draaide zich om, stak zijn hand op en zwaaide nog even. Hij trok de grote houten deur met een zwaai open en verliet het bureau. Ik keek de wachtcommandant vragend aan. Mijn blik veelzeggend! Ik hoorde hem zeggen: „Arthur, dit is een van onze vaste klanten.” Het bleek dat het ging om een man uit een psychiatrisch centrum uit de buurt en het was niet de eerste keer dat hij dit verhaal vertelde. Als hij even in een slechte periode was, wandelde hij steevast naar het bureau en begon zijn verhaal. Ik deed mijn boekje dicht, voelde mijn oren gloeien en dacht bij mijzelf: „Toch geen moordzaak!” De brigadier keek me aan en ik zag een grote glimlach op zijn gezicht. Ik hoorde hem vragen: „Koffie?”